Ik maak voor jou een andere kroon en helemaal geen zware, van madeliefjes, wonderschoon en blaren, blaren. Van boterbloemen, niet zoveel, want anders wordt de kroon te geel. Ik maak voor jou een vederlichte kroon en zet hem op je haren. (Fragment uit: Ik had als kind een huis en haard, Willem Wilmink)